Geen grote verschillen in recidive tbs-klinieken

Nieuwsbericht
25 november 2014

Bij geen enkele van de tien grotere tbs-klinieken wijkt de recidive af van wat men mag verwachten, als je kijkt naar de kenmerken van de tbs-populatie die zij behandelen.

Dat blijkt uit een onderzoek over dit onderwerp van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC), het onderzoekcentrum van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Staatssecretaris Teeven heeft dat vandaag naar de Tweede Kamer gestuurd. Het is de eerste keer dat de recidivecijfers van klinieken niet-geanonimiseerd in beeld zijn gebracht.

In het onderzoek is de recidive gemeten onder ex-patiënten die tussen 2004 en 2010 een tbs-kliniek hebben verlaten. Het WODC heeft vervolgens de cijfers van iedere kliniek vergeleken met de cijfers die verwacht mochten worden op grond van de achtergrondkenmerken van de patiënten die zij hebben behandeld. Het blijkt dat geen enkele tbs-kliniek het slechter doet dan mag worden verwacht.
De onderzoekers merken op dat om oorzaken van recidive te begrijpen ook de leefomstandigheden in de periode na de beëindiging van de maatregel moet worden meegenomen.

Recidive laag
Staatssecretaris Teeven vindt het WODC onderzoek waardevol, ook zonder cijfermatig aantoonbare verschillen tussen de tbs klinieken. De recidive bij ex-tbs-patiënten is verhoudingsgewijs laag. Het rapport laat zien dat alle klinieken hieraan een belangrijke bijdrage leveren. De samenwerking tussen de instellingen en de monitoring vanuit het ministerie zijn volgens Teeven belangrijke oorzaken van de relatief lage recidivecijfers. Daarnaast geven de resultaten duidelijkheid in een al langer lopende discussie over de prestaties van individuele klinieken. De staatssecretaris meent wel dat ook andere onderwerpen belangrijk zijn om een zinvolle vergelijking te maken tussen de verschillende klinieken.

Meer informatie